De naam 'Karmozijnbes' verwijst naar de kleur van (het sap van) de bessen, en van de kleurstof die men er uit bekwam. De Amerikaanse indianen die leefden in de oostelijke streken van de huidige Verenigde Staten, kenden de Karmozijnbes al lang voor de Mayflower voor anker ging bij Plymouth Rock. Ze aten de zeer jonge scheuten in de lente, en groeven de wortels op om als medicijn te gebruiken. Met het purperrode sap van de bessen versierden ze hun kleding en kleurden er gebruiksvoorwerpen en sierraden, die gemaakt waren van hout, schors, dierenhuiden en zaden. Sommige stammen gebruikten het sap ook voor huidschilderingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste Europese immigranten al vlug een aantal van die gebruiken overnamen, en al snel in de gaten hadden dat karmozijnbes een kwalitatief zeer goede natuurlijke inkt gaf, die heel duurzaam bleek: Een bewijs daarvan is zeker dat die inkt nog gelezen kan worden op heel wat documenten uit die tijd die nu in musea bewaard worden.
|