De vleugels van de citroenvlinder zijn citroengeel bij het mannetje en geelwit bij het vrouwtje, lopen uit in een punt en hebben een adering als bladnerven. Midden op de voor- en achtervleugels bevindt zicht een oranje vlekje. Aangezien de soort overwintert als vlinder, in open lucht, is hij vaak de eerste en de laatste vlinder van het jaar dat men ziet. Zijn voedselplanten zijn sporkehout (vuilboom)en wegedoorn. De rups neemt de groene kleur van de voedselplant aan, is slank en groen met een lichte lengtestreep over de flank. De ontwikkeling van de rupsen beslaat 3 tot 7 weken. De citroenvlinder prefereert open terreinen in de buurt van bossen, gebieden met struikgewas, bosranden, tuinen, parken en heggen. |